088 2055 000
		Array
(
    [0] => nl
    [1] => us
)
		
Bel ons 088 2055 000
		Array
(
    [0] => nl
    [1] => us
)
		

Bedoeling van partijen is niet meer relevant voor kwalificatie arbeidsovereenkomst

Onlangs heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over de vraag wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Deze uitspraak kan met name van belang zijn voor veel ZZP’ers en voor partijen die met ZZP’ers werken.

Wat is een arbeidsovereenkomst?

De wet definieert de arbeidsovereenkomst als volgt:

“De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten”.

In het algemeen wordt aangenomen dat er sprake is van de arbeidsovereenkomst indien voldaan wordt aan de volgende vereisten:

  • Er is een gezagsverhouding;
  • Er moet persoonlijk arbeid worden verricht;
  • Voor de arbeid wordt loon betaald.

Er moet sprake zijn van een overeenkomst maar deze arbeidsovereenkomst is vormvrij. Dit betekent dat de overeenkomst zowel schriftelijk als mondeling kan worden aangegaan. Het is aanbevelenswaardig om een arbeidsovereenkomst altijd schriftelijk aan te gaan.

Het belang van de kwalificatie ‘arbeidsovereenkomst’

Of er sprake is van een arbeidsovereenkomst is zowel civielrechtelijk van belang als fiscaal. Civielrechtelijk is het van belang omdat als er sprake is van de arbeidsovereenkomst, de werknemer ontslagbescherming zal genieten, maar ook aanspraak kan maken op doorbetaling van loon gedurende ziekte. Daarnaast kan de werknemer aanspraak maken op vakantiegeld, vakantietoeslag en andere (beschermings-)bepalingen uit het arbeidsrecht.

Vanuit werknemersverzekeringen en vanuit fiscale optiek speelt de kwestie met betrekking tot een arbeidsovereenkomst een grote rol omdat er dan verzekeringsplicht ontstaat (bijvoorbeeld voor afdracht van ZW, WW en WIA premies) als ook de verplichting om loonbelasting in te houden en af te dragen.

Rechtspraak tot nu toe

Naast de wettelijke kaders, hielden de meeste (civiele) rechters ook rekening met de bedoeling van partijen om wel of geen arbeidsovereenkomst te sluiten. In het arrest Groen/Schoevers heeft de Hoge Raad namelijk bepaald dat er eerst moet worden gekeken naar de bedoeling die beide partijen hadden bij het sluiten van de overeenkomst. Deze bedoeling dient naast de overeenkomst ook te worden afgeleid uit de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst.

In een aantal uitspraken heeft de Belastingkamer van de Hoge Raad ook een rol toegekend aan de bedoeling van partijen. Hierbij werd wel rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval en hetgeen partijen voor ogen hadden bij het sluiten van de overeenkomst. Anderzijds liet de Belastingkamer van de Hoge Raad ook eerdere uitspraken waarin geen enkele waarde werd toegekend aan de bedoeling van partijen in stand.

Het uitgangspunt van de Belastingdienst is echter dat de uitvoering van de overeenkomst van doorslaggevend belang is (dus de praktijk) en niet hetgeen wat op papier is vastgelegd.

Uitspraak Hoge Raad

In de uitspraak van 6 november 2020 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het niet van belang is of partijen daadwerkelijk de bedoeling hadden om een arbeidsovereenkomst te sluiten. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.

Consequenties voor ZZP’ers

Na deze uitspraak zal zowel vanuit civiele als fiscale oogpunt geen rekening meer worden gehouden met de vraag of partijen de bedoeling hadden om een arbeidsovereenkomst te sluiten. Daarentegen wordt er nog meer gekeken naar de uitvoering van de overeenkomst en of de overeenkomst aan wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst voldoet. Met andere woorden, de praktijk op de werkvloer zal bepalend zijn. Aangezien de fiscus reeds dat uitgangspunt had, wordt dat standpunt met deze uitspraak vooral bevestigd. Voor ZZP’ers betekent dit dat de fiscus nu enkel naar de uitvoering van de overeenkomst zal kijken en de bedoeling van partijen helemaal niet meer in acht zal nemen. De consequentie hiervan kan zijn dat nog meer contracten met ZZP’ers als een arbeidsovereenkomst wordt beschouwd. Dat is met name van belang voor partijen die een overeenkomst met een ZZP’er aangaan, want dat zijn namelijk degenen bij wie een inhoudingsplicht kan ontstaan.

Civielrechtelijk zal deze uitspraak waarschijnlijk meer consequenties hebben, aangezien er tot op heden wel rekening werd gehouden met de bedoeling van partijen. De verwachting is dat indien een overeenkomst als arbeidsovereenkomst door de fiscus wordt beschouwd dat eveneens een arbeidsovereenkomst zal zijn in de zin van civiele recht en vice versa. Met andere woorden, als fiscus een contract met een ZZP’er als arbeidsovereenkomst aanmerkt dat contract naar alle waarschijnlijkheid ook als arbeidsovereenkomst door de civiele rechter wordt gezien, met alle arbeidsrechtelijke consequenties van dien.

Heeft u vragen over arbeidsovereenkomsten of andere juridische vraagstukken? Neem dan contact op met de bedrijfsjuristen van Crowe Peak.

Crowe Peak
Olympisch Stadion 24-28 1076 DE Amsterdam, Nederland
088 2055 000 contact@crowe-peak.nl