Nieuws 6 maart, 2026

Bestuurdersaansprakelijkheid

Bestuurdersaansprakelijkheid
Crowe Peak/ Kennisbank/ Nieuws/

Bestuurdersaansprakelijkheid

Bestuurders van B.V.’s, N.V.’s, stichtingen en verenigingen dragen een steeds zwaardere verantwoordelijkheid. Waar voorheen de rechtspersoon als buffer fungeerde, is de bescherming van bestuurders de afgelopen jaren aanzienlijk versmald. Rechtspraak, wetgeving en toezicht worden strenger, waardoor persoonlijke aansprakelijkheid sneller in beeld komt. Dit artikel geeft een geïntegreerd overzicht van de belangrijkste vormen van aansprakelijkheid, recente ontwikkelingen en praktische maatregelen om risico’s te beperken.

Wat is bestuurdersaansprakelijkheid?

Bestuurdersaansprakelijkheid houdt in dat een bestuurder onder bepaalde omstandigheden persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor schade of schulden van de rechtspersoon. De wet onderscheidt daarbij verschillende vormen van aansprakelijkheid: interne aansprakelijkheid, externe aansprakelijkheid, faillissementsaansprakelijkheid en fiscale aansprakelijkheid.

Interne aansprakelijkheid (art. 2:9 BW)

Een bestuurder is tegenover de rechtspersoon aansprakelijk wanneer hem ernstig verwijtbaar onbehoorlijk bestuur kan worden gemaakt. De kernjurisprudentie (Staleman/Van de Ven; Willemsen/NOM) benadrukt dat de bestuurder zelf moet aantonen dat hem geen ernstig verwijt treft.

Belangrijke rechtspraak

  • HR 10 januari 1997, Staleman/Van de Ven
    In dit arrest introduceerde de Hoge Raad de maatstaf van het “ernstig verwijt” voor interne bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW. Daarbij benadrukte de Hoge Raad dat alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen, zoals de aard van de activiteiten, de verdeling van taken binnen het bestuur en de informatie die voor de bestuurder beschikbaar was. Het arrest vormt nog steeds het fundament onder de toets of sprake is van onbehoorlijk bestuur.
  • HR 20 juni 2008, Willemsen/NOM
    Dit arrest verduidelijkte dat de bewijslast in beginsel op de bestuurder rust: hij moet aantonen dat hem geen ernstig verwijt treft. Daarmee verscherpte de Hoge Raad de positie van de bestuurder aanzienlijk. Een bestuurder kan zich niet verschuilen achter beperkte betrokkenheid of gebrek aan kennis wanneer hij een toezichthoudende verantwoordelijkheid heeft binnen het bestuur.
  • Art. 2:9 BW – wettelijke basis
    Dit artikel vormt de kern van de interne bestuurdersaansprakelijkheid. Van bestuurders wordt verwacht dat zij hun taak behoorlijk en zorgvuldig vervullen. Wanneer een bestuurder tekortschiet en hem dat ernstig kan worden verweten, kan de rechtspersoon schade op hem verhalen. De norm is dus zowel juridisch als feitelijk zwaar.

Voorbeelden uit praktijk en rechtspraak

Onvoldoende toezicht op de financiële administratie
Bestuurders moeten actief toezien op een betrouwbare boekhouding.. Zoals structurele tekortkomingen, achterstanden, verlies van inzicht in liquiditeit of het ontbreken van basisdocumentatie, kunnen leiden tot ernstig verwijtbaar handelen.

Risicovolle transacties zonder informatie of onderbouwing
Het aangaan van omvangrijke of complexe verplichtingen zonder voldoende informatie, due diligence of professionele advisering wordt door rechters snel als verwijtbaar gezien, zeker wanneer de risico’s voorzienbaar waren.

Passief bestuur bij signalen van mismanagement
Bestuurders hebben een plicht tot doorvragen en ingrijpen. Signalen zoals financiële nood, onverklaarde transacties of meldingen van compliance-overtredingen mogen niet worden genegeerd. Passiviteit in dergelijke situaties leidt in de rechtspraak regelmatig tot het aannemen van een ernstig verwijt.

Externe aansprakelijkheid (art. 6:162 BW)

Een bestuurder kan persoonlijk (privé) aansprakelijk zijn tegenover derden wanneer hij jegens hen een onrechtmatige daad pleegt. Dit betreft externe aansprakelijkheid, dat wil zeggen tegenover partijen buiten de rechtspersoon, zoals schuldeisers of de Belastingdienst. Voor persoonlijke aansprakelijkheid geldt dat de bestuurder een voldoende ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. Uit de jurisprudentie volgt dat dit onder meer het geval kan zijn in de volgende situaties:

Het aangaan van verplichtingen waarvan de bestuurder wist of behoorde te weten dat de vennootschap deze niet kon nakomen:

Dit is de zogenoemde Beklamel-norm (HR 6 oktober 1989, Beklamel). De bestuurder handelt onrechtmatig wanneer hij nieuwe contractuele verplichtingen aangaat, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet begrijpen, dat de vennootschap deze niet zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden.

– Selectieve betalingen in aanloop naar een faillissement: Volgens HR 5 september 2014 (Hezemans Air) geldt een verzwaard criterium voor selectieve betalingen. Een bestuurder kan onrechtmatig handelen door bepaalde schuldeisers wél te betalen en anderen niet, zeker wanneer faillissement voorzienbaar is en de keuze niet valt te rechtvaardigen op basis van bijvoorbeeld continuïteitsoverwegingen of wettelijke voorrang.

– Handelen in strijd met wettelijke verplichtingen: Een bestuurder kan ook persoonlijk aansprakelijk zijn wanneer hij handelt in strijd met specifieke wettelijke voorschriften die de belangen van derden beogen te beschermen (bijvoorbeeld fiscale meldplichten of administratieve verplichtingen).

In het arrest HR 8 december 2006 (Ontvanger/Roelofsen) onderscheidt de Hoge Raad drie hoofdvormen van externe bestuurdersaansprakelijkheid:

  1. Aangaan of laten voortbestaan van verplichtingen terwijl de bestuurder weet dat de vennootschap deze niet kan nakomen (Beklamel situaties).
  2. Het frustreren van verhaalsmogelijkheden van schuldeisers, bijvoorbeeld door activa weg te sluizen.
  3. Andere vormen van onzorgvuldig handelen die zo ernstig zijn dat ze als onrechtmatige daad jegens derden kwalificeren.

Faillissementsaansprakelijkheid (art. 2:138/248 BW)

Wanneer een vennootschap failliet gaat, kunnen bestuurders op grond van art. 2:138 (N.V.) / 2:248 (B.V.) BW hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het boedeltekort indien sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.

Kennelijk onbehoorlijk bestuur

Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is sprake wanneer geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld. Het gaat om een ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, dat bovendien objectief vast te stellen moet zijn. Denk aan:

  • Het structureel niet voeren van een deugdelijke administratie;
  • Het niet tijdig publiceren van jaarrekeningen;
  • Het nemen van onverantwoorde financiële risico’s;
  • Het benadelen van crediteuren;
  • Het voortzetten van verlieslatende activiteiten zonder reële verbetering in zicht.

Omkering van de bewijslast

Bij schending van bepaalde bestuursverplichtingen, met name de boekhoudplicht en de publicatieplicht ontstaat een wettelijk bewijsvermoeden: Het bestuur wordt geacht zijn taak onbehoorlijk te hebben vervuld. Dit onbehoorlijke bestuur wordt vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn geweest.

De bewijslast verschuift daarmee naar de bestuurder, die moet aantonen dat:

  1. Het bestuur wél behoorlijk heeft gehandeld, of
  2. Andere omstandigheden het faillissement hebben veroorzaakt.

Relevante jurusprudentie

  • HR 20 oktober 1989, Van de Riet q.q./Oosters: bevestigt de werking van de wettelijke bewijsvermoedens en de zwaarte van de tegenbewijslast van bestuurders.
  • De lijn van de Hoge Raad is dat tegenbewijs concreet, specifiek en overtuigend moet zijn, algemene stellingen volstaan niet.

Oorzakelijk verband: “belangrijke oorzaak” van het faillissement

Zelfs wanneer kennelijk onbehoorlijk bestuur is vastgesteld, moeten curatoren aantonen dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement was. De Hoge Raad hanteert hierbij een strenge toets. Relevante jurisprudentie: HR 14 juni 2019: verduidelijkt dat het causaal verband zorgvuldig beoordeeld moet worden en dat bestuurders de ruimte hebben om alternatieve oorzaken aannemelijk te maken. Dit tegenbewijs moet echter voldoende concreet en onderbouwd zijn. Voorbeelden van relevante alternatieve oorzaken:

  • Een onverwachte marktinzakking;
  • Het wegvallen van een belangrijke klant;
  • Externe economische omstandigheden die losstaan van het handelen van bestuurders.

Het uitgangspunt blijft echter dat wanneer het bewijsvermoeden geldt, bestuurders zwaar tegenbewijs moeten leveren om aan aansprakelijkheid te ontkomen.

Fiscale aansprakelijkheid (art. 36 IW)

Bestuurders kunnen op grond van art. 36 Invorderingswet 1990 (IW 1990) persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor niet betaalde loonbelasting of omzetbelasting van de vennootschap.

Meldplicht betalingsonmacht

Wanneer een vennootschap niet in staat is om haar verschuldigde loon- of omzetbelasting te betalen, moet het bestuur dit onverwijld en schriftelijk melden bij de Belastingdienst.

  • De melding moet worden gedaan binnen twee weken na het moment waarop de belasting betaald had moeten worden.
  • De eisen aan vorm, tijdigheid en volledigheid worden strikt toegepast.

Gevolgen van niet tijdige of onjuiste melding

Indien de bestuurder niet (tijdig) meldt, ontstaat een bewijsvermoeden dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van de bestuurder. In dat geval is de bestuurder vrijwel automatisch aansprakelijk, tenzij hij tegenbewijs levert waaruit blijkt dat het niet betalen niet aan hem te wijten is. Dat is in de praktijk moeilijk, omdat de drempel zeer hoog ligt.

Strenge jurisprudentielijn

De Hoge Raad bevestigt dat de meldplicht strikt en formeel moet worden nageleefd:

  • HR 18 maart 2011 (o.a. X/Belastingdienst): de melding moet exact voldoen aan de wettelijke eisen; een algemene mededeling, een te late melding of een melding zonder concrete gegevens is niet voldoende.
  • De bestuurder moet bovendien kunnen aantonen dat hem geen verwijt treft, een zware bewijslast wanneer de melding niet correct is gedaan.

Beleidsregels Invordering 2008

De Beleidsregels Invordering 2008 verduidelijken de toepassing van art. 36 IW 1990. Belangrijke uitgangspunten zijn:

  • De Belastingdienst hanteert een zeer strikte benadering van de meldplicht.
  • Alleen een volledige, tijdige en juiste melding wordt als rechtsgeldig aangemerkt.
  • Indien de melding wél correct is gedaan, verplaatst de bewijslast naar de Belastingdienst: die moet dan aantonen dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Kernpunten samengevat

De meldplicht betalingsonmacht is een belangrijk beschermingsmechanisme voor bestuurders. Wie niet tijdig of volledig meldt, krijgt direct te maken met een verzwaard bewijsvermoeden van onbehoorlijk bestuur. De Hoge Raad past deze verplichting uiterst strikt toe, zoals bevestigd in het arrest van 18 maart 2011. Ook de Beleidsregels Invordering 2008 sluiten daarbij aan: alleen een correcte en tijdige melding biedt daadwerkelijk bescherming tegen persoonlijke aansprakelijkheid.

Onze risicoscan

Advies: Bij een hoog of gemiddeld risico is het verstandig om:

  • Je interne processen te controleren.
  • Een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten.
  • Juridisch advies in te winnen over uw verplichtingen.

Strengere regels en ontwikkelingen: bestuurders onder vergrootglas

De afgelopen jaren zijn de risico’s voor bestuurders vergroot door onder meer:

Strengere rechtspraak

Rechters toetsen bestuurders strenger op hun rol bij financiële problemen of falend toezicht. Zelfs beperkte nalatigheid kan leiden tot aansprakelijkheid wanneer financiële schade ontstaat.

Meer aandacht voor governance en ESG, bestuurders worden steeds vaker aangesproken op thema’s als:

  • transparantie,
  • duurzaamheidsverplichtingen,
  • verantwoord bestuur.

Uitbreiding van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR)

Sinds 2021 gelden vergelijkbare aansprakelijkheidsnormen voor bestuurders van stichtingen en verenigingen als voor B.V.’s en N.V.’s. Dit betekent dat de speelruimte voor fouten kleiner wordt en de lat hoger ligt.

Niet tijdig deponeren van de jaarrekening

Het niet tijdig deponeren van de jaarrekening bij de Kamer van Koophandel wordt in de praktijk nog weleens gezien als een administratieve formaliteit. In werkelijkheid vormt dit echter een aanzienlijk juridisch risico voor bestuurders. De wet stelt in artikel 2:394 BW strikte termijnen voor het opstellen, vaststellen en deponeren van de jaarrekening. Bestuurders moeten de jaarrekening binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar opstellen, en alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen zij maximaal vijf maanden uitstel aanvragen. Vervolgens moeten bestuurders de jaarrekening binnen twee maanden vaststellen en deponeren uiterlijk acht dagen daarna. In alle gevallen geldt dat deponering binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar moet zijn voltooid.

Deze termijnen hebben bijzondere betekenis bij een faillissement. Wanneer de jaarrekening niet tijdig is gedeponeerd, staat op grond van artikel 2:248 lid 2 BW onweerlegbaar vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Daarnaast wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Dit leidt tot een omkering van de bewijslast: de bestuurder moet aantonen dat het faillissement door andere omstandigheden is veroorzaakt. Indien hij daarin niet slaagt, kan hij hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor het volledige boedeltekort.

De recente jurisprudentie laat zien dat de rechter streng omgaat met deze verplichtingen. Zo oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden in 2023 dat zelfs een overschrijding van één dag al kan leiden tot het oordeel dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. Rechters verontschuldigen een zeer geringe termijnoverschrijding alleen in uitzonderlijke gevallen en uitsluitend wanneer er zwaarwegende redenen zijn. De Rechtbank Noord-Holland achtte in 2024 een bestuurder aansprakelijk voor € 500.000 wegens structurele nalatigheid, waaronder het herhaaldelijk niet deponeren van jaarrekeningen.

Daarbij heeft de Hoge Raad in 2023 nogmaals bevestigd dat matiging van bestuurdersaansprakelijkheid slechts mogelijk is op de strikt limitatieve gronden van artikel 2:248 lid 4 BW, waardoor de rechter slechts in zeer beperkte en duidelijk afgebakende gevallen ruimte heeft om de aansprakelijkheid te verminderen. Naast civielrechtelijke consequenties kent de deponeringsplicht ook een strafrechtelijke dimensie. Het niet tijdig of geheel niet deponeren van de jaarrekening kwalificeert als economisch delict. Als bestuurders opzettelijk nalatig handelen, beschouwt de wet dit zelfs als een misdrijf, met mogelijke gevolgen zoals aanzienlijke geldboetes of, in het uiterste geval, een gevangenisstraf.

Functieverdeling is géén schild tegen aansprakelijkheid

Veel bestuurders gaan ervan uit dat een interne taakverdeling binnen het bestuur. Bijvoorbeeld een indeling in commerciële, financiële of HR verantwoordelijkheden, bescherming biedt tegen persoonlijke aansprakelijkheid. Deze gedachte is echter onjuist en potentieel risicovol. De wet hanteert een stelsel van collegiale verantwoordelijkheid, waarbij iedere bestuurder actief aansprakelijkheid draagt voor het gehele bestuurshandelen, ongeacht de interne rolverdeling. Het uitgangspunt is dat bestuurders gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het algemene beleid van de vennootschap, alsmede voor de gang van zaken binnen de onderneming. Dit omvat tevens de plicht om toezicht te houden op de wijze waarop mede bestuurders hun taken uitvoeren.

Een interne functieverdeling kan wel richting geven aan de werkzaamheden, maar doet niets af aan deze hoofdregel van collectieve verantwoordelijkheid. Bestuurders moeten een actieve houding aannemen: zij signaleren tijdig, grijpen in en stellen vragen zodra zij aanwijzingen zien dat een collega-bestuurder zijn taak mogelijk niet naar behoren vervult. Passief afwachten of blind vertrouwen op de ander kan dan ook leiden tot aansprakelijkheid.

Uit de praktijk blijkt dat rechters streng toetsen of bestuurders hun toezicht en interventieplicht zijn nagekomen. Alle bestuurders lopen hoofdelijk risico voor selectieve betalingen die zij uitvoeren bij een dreigend faillissement, ook als een individuele bestuurder niet direct betrokken is bij de concrete betalingsbeslissing. Ook bij een verwaarloosde administratie draagt het gehele bestuur de verantwoordelijkheid voor het faillissementstekort, ongeacht of een bestuurder zich in de dagelijkse praktijk vooral op commerciële activiteiten richtte.

Bekende voorbeelden, waaronder de Vestia casus, laten zien dat nalatig toezicht, onvoldoende doorvragen of te late interventie kan leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van meerdere bestuurders. Vrijwarings- en vrijtekeningsbedingen binnen de vennootschap kunnen ondersteunend zijn, maar kennen duidelijke juridische grenzen. Zij zijn niet geldig bij ernstig verwijtbaar handelen, opzet of bewuste roekeloosheid van een bestuurder. Bovendien bieden dergelijke afspraken geen enkele bescherming in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement. Om die reden blijft een adequate bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering (D&O verzekering) onmisbaar als sluitstuk van risicobeheersing.

Hoe beperk je bestuurdersaansprakelijkheid?

De risico’s voor bestuurders zijn zonder twijfel reëel, maar zij kunnen deze grotendeels beheersen door tijdig en proactief passende maatregelen te nemen. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat bestuurders niet alleen de wettelijke kaders moeten kennen, maar deze ook consequent moeten naleven. Dit begint bij het zorgvuldig volgen van statuten en wet- en regelgeving, het tijdig deponeren van jaarrekeningen en het binnen veertien dagen melden van betalingsonmacht.

Daarnaast moeten bestuurders bestuursbesluiten zorgvuldig documenteren en de administratie op orde houden. Omdat deze elementen een cruciale rol spelen in zowel de interne governance als de externe verantwoordingsplicht. Goed bestuur vergt bovendien actief toezicht op mede bestuurders, ook wanneer hun portefeuille buiten het eigen aandachtsgebied ligt. Periodieke financiële rapportages vormen daarbij een belangrijk instrument om vroegtijdig risico’s te signaleren. Bestuurders moeten situaties signaleren die kunnen leiden tot selectieve betalingen of andere handelingen en hier actief ingrijpen om onbehoorlijk bestuur bij een faillissement te voorkomen. Het is daarom verstandig om de bestuursstructuur regelmatig juridisch te laten toetsen, en te investeren in een organisatiebrede cultuur van compliance en juridische bewustwording.

Naast deze wettelijke en organisatorische aandachtspunten kunnen aanvullende beschermingsmaatregelen de persoonlijke risico’s van bestuurders verder beperken. Een adequate bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering (D&O verzekering) is daarvan een belangrijk voorbeeld. Ook periodieke juridische controles en duidelijke interne afspraken over informatievoorziening dragen bij aan een solide governance structuur. Zorg ervoor dat je beslissingen altijd goed onderbouwt en legt afwijkende meningen binnen het bestuur expliciet vast, zodat u achteraf kunt aantonen dat je je taak zorgvuldig en kritisch heeft vervuld.

Conclusie

Bestuurdersaansprakelijkheid is geen ver van je bed show. Door strengere rechtspraak, toegenomen toezicht en hardere wettelijke verplichtingen neemt het risico op persoonlijke aansprakelijkheid toe. Niet tijdige deponering, slecht toezicht, gebrekkige administratie of passiviteit kunnen al snel leiden tot grote financiële schade, zowel voor de organisatie als persoonlijk.

Met bewustzijn, goede governance en tijdige juridische ondersteuning zijn deze risico’s echter uitstekend te beheersen. Preventie blijft altijd goedkoper, veiliger en verstandiger dan herstel achteraf.

Neem vandaag nog contact op om te bespreken hoe je jouw persoonlijke en bestuurlijke risico’s kunt beperken en je governance op orde kunt brengen.

Crowe Peak

Benieuwd wat wij voor jouw organisatie kunnen betekenen?

Laten we snel kennismaken!

Contact