Prinsjesdag 2025: overzicht van de belangrijkste maatregelen
Elk jaar geeft Prinsjesdag inzicht in de plannen van de overheid en wat dit betekent voor jouw financiële strategie. De maatregelen voor 2025 hebben gevolgen voor particulieren, ondernemers, DGA’s en werkgevers. We brengen je graag op de hoogte.
1. Werkgevers dragen eindheffing voor de niet-elektrische auto
Stel jij als werkgever auto’s ter beschikking die niet volledig elektrisch zijn of niet worden aangedreven door waterstof? Dan word je vanaf 2027 geconfronteerd met een eindheffing in de loonheffingen. Deze bedraagt 12% over de cataloguswaarde van de auto, inclusief btw en bpm. De maatregel treft nieuwe auto’s, met een datum eerste tenaamstelling vanaf 1 januari 2027.
Let op: De pseudo-eindheffing komt ten laste van de werkgever. Het is een extra heffing die je niet mag doorberekenen aan de werknemers. De bijtelling voor de auto van de zaak die geldt voor een werknemer als de auto ook privé wordt gereden, blijft namelijk ook gewoon in stand.
Woon-werkverkeer en privégebruik
De pseudo-eindheffing is alleen van toepassing op auto’s die werknemers ook voor woon-werkverkeer en privé gebruiken. In tegenstelling tot de bijtelling voor de auto van de zaak wordt bij de berekening van de pseudo-eindheffing echter geen rekening gehouden met de eigen bijdrage van de werknemer.
Ook voor de dga, niet voor zzp’ers
De pseudo-eindheffing is een heffing voor werkgevers. Dit betekent dat als een bv een auto van de zaak ter beschikking stelt aan een dga, deze bv met de heffing te maken kan krijgen. Een zzp’er met een eenmanszaak kan echter niet met de heffing te maken krijgen.
Fossiele personenauto
De maatregel geldt voor fossiele personenauto’s die vanaf 1 januari 2027 voor het eerst voor privégebruik ter beschikking worden gesteld en er is overgangsrecht. Voor fossiele auto’s die werkgevers al voor 2027 aan werknemers aanbieden, hoeven werkgevers tot 16 september 2030 geen extra belasting te betalen. Pas vanaf juli 2030 geldt de pseudo-eindheffing voor alle fossiele personenauto’s die vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld.
Dit moet de overgang naar elektrische voertuigen stimuleren én versnellen zodat klimaatdoelen sneller worden gehaald.
2. Streep door besparen erfbelasting en vereenvoudiging 180-dagenregel
In de belastingplannen voor 2026 is een maatregel opgenomen die voorkomt dat bij een ongelijke verdeling van de huwelijkse goederengemeenschap of een verrekenbeding geen schenk- of erfbelastingheffing plaatsvindt. De wetswijziging beoogt dat schenk- of erfbelasting wordt geheven bij elke ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap of bij elk toegepast verrekenbeding, waarbij aan een partner meer toekomt dan de helft van de gemeenschap of de te verrekenen som.
Aanleiding is een arrest van de Hoge Raad, waarbij de uitkomst was dat een ongelijke verdeling van 90%-10% niet in strijd was met de wet. Op die manier is het mogelijk om met aanpassing van de huwelijkse voorwaarden erfbelasting voor een groot deel te voorkomen. Het inmiddels demissionaire kabinet vindt dit ongewenst. Hoewel de constructie die het kabinet wil bestrijden gaat om wijzigingen van goederengemeenschappen en verrekenbedingen in het zicht van overlijden, pakt het kabinet met deze wetswijziging echter alle ongelijke verdelingen aan. Dit geldt dus ook voor verdelingen die niet gemaakt zijn in het zicht van overlijden.
Let op: De nieuwe berekening geldt voor iedereen die op of na 16 september 2025 een ongelijke verdeling heeft afgesproken. Dat wil zeggen: vanaf het moment dat het kabinet het plan bekendmaakte op Prinsjesdag. Had je voor 16 september 2025 al een ongelijke verdeling van het huwelijksvermogen vastgelegd? Dan verandert er niets.
De 180-dagenregel wordt eenvoudiger
Onder de huidige wetgeving geldt dat als iemand een schenking doet en de schenker overlijdt binnen 180 dagen na de schenking, de schenking meetelt voor de erfenis. Nabestaanden moeten in dit geval eerst aangifte voor de schenkbelasting doen en daarna voor de erfbelasting. Vervolgens wordt de schenkbelasting met de erfbelasting verrekend. Met het wetsvoorstel wordt aan deze ingewikkelde systematiek een einde gemaakt. Het kabinet stelt voor om schenkingen die in de laatste 180 dagen voor iemands overlijden zijn gedaan alleen nog als deel van de erfenis te zien. Nabestaanden hoeven dan geen aangifte voor de schenkbelasting te doen. Dit gaat gelden bij overlijdens vanaf 1 januari 2026.
3. Btw-tarieven
Voorgesteld is om het verlaagde btw-tarief op cultuur, media en sport te behouden. De kritiek op het voorstel om het hoge tarief van toepassing te laten zijn is ter harte genomen en er is budgettaire dekking gevonden. Bekostiging vindt plaats door de reguliere inflatiecompensatie voor de loon- en inkomstenbelasting slechts gedeeltelijk toe te passen. Met terugwerkende kracht wordt het Belastingplan 2025 op dit onderdeel gewijzigd.
In het Belastingplan 2025 zijn reeds de volgende maatregelen genomen, welke op 1 januari 2026 in zullen gaan. De btw-verhoging op logies (exclusief kamperen met een eigen kampeermiddel) naar 21% gaat wel door. De btw-verhoging raakt ondernemers in de horeca- en recreatiesector direct. Daarom is het belangrijk om je nog in 2025 al goed voor te bereiden.
4. Btw-herziening onroerende zaken: investeringsdiensten van minimaal € 30.000
Waar ziet de regeling op?
Je kunt denken aan het vernieuwen, vergroten, herstellen, vervangen of onderhouden van onroerende zaken. Ook met een verbouwing samenhangende sloopwerkzaamheden vallen hieronder.
Voor dergelijke investeringsdiensten, die bovendien minimaal € 30.000 bedragen, geldt vanaf 2026 een btw-herzieningsregeling. Dit betekent dat deze investeringsdiensten in het jaar van ingebruikname en de vier daaropvolgende jaren gevolgd worden. Wijzigt in die periode het gebruik voor btw-belaste en/of btw-vrijgestelde prestaties, dan wordt de btw-aftrek op de investeringsdienst herzien.
Timing
In de belastingplannen voor 2025 is het wetsvoorstel al aangenomen. We vinden het belangrijk om deze regeling in aanloop naar 2026 nogmaals onder de aandacht te brengen, want ‘timing’ speelt een rol.
Vanaf 1 januari 2026
De btw-herzieningsregeling gaat gelden voor investeringsdiensten die vanaf 1 januari 2026 in gebruik worden genomen. Neem je deze investeringsdiensten dus vóór 1 januari 2026 in gebruik, dan worden ze niet geraakt door de regeling. Ingebruikname vóór 1 januari 2026 lijkt verstandig (indien mogelijk) als de voorgestelde regeling ertoe leidt dat je afgetrokken btw deels moet terugbetalen. Wijzigt het gebruik van het onroerend goed echter van btw-vrijgesteld naar (deels) btw-belast, dan kan de voorgestelde regeling ook positief uitwerken. In dat geval heb je namelijk recht op meer btw-aftrek. Je kunt de ingebruikname van de investeringsdienst dan (indien mogelijk) beter uitstellen tot 2026.
5. Overdrachtsbelasting: extra categorie met 8% tarief
In 2026 gaan vier tarieven gelden voor de overdrachtsbelasting. Deze aanpassing was al in 2025 aangekondigd.
- Woningen die als hoofdverblijf dienen | 2%
- Woningen die als hoofdverblijf dienen voor starters | 0% *
- Woningen die niet als hoofdverblijf dienen | 8%
- Niet-woningen | 10,4%
* Dit geldt voor starters onder de 35 jaar bij aankoop van een woning met een marktwaarde tot € 555.000.
De invoering van het 8%-tarief voor niet-hoofdverblijfwoningen is bedoeld om investeringen in huurwoningen aantrekkelijker te maken.
6. Participatieregelingen en lucratief belang
In de private-equitypraktijk en in het kader van managementparticipatieregelingen is het mogelijk dat managers als onderdeel van hun beloningsstructuur aandelen of andere vermogensbestanddelen krijgen. Door een hefboomeffect worden zij in staat gesteld om hoge rendementen te behalen, die niet in verhouding staan tot het geïnvesteerde kapitaal of het feitelijk op de investering gelopen risico. Het doel hiervan is om managers te stimuleren betere resultaten te behalen. Deze aandelen vallen onder de zogeheten lucratiefbelangregeling.
Onder de bestaande regeling geldt als hoofdregel dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden (box 1). Het rendement is daardoor in beginsel volledig belast als arbeidsinkomen in box 1. Er kan ook gebruik worden gemaakt van de zogenoemde aanmerkelijkbelangvariant. De manager houdt de aandelen dan via een eigen bv. De bv moet de voordelen uit lucratief belang voor minimaal 95% doorstoten naar de aandeelhouder/manager zodat de heffing in box 2 plaatsvindt. Het reguliere tarief in box 2 leidt tot minder belastingheffing dan wanneer iemand vermogen heeft in box 3. Dit vindt het kabinet niet wenselijk. Daarom worden er in de zogeheten ‘lucratiefbelangregeling’ een aantal wijzigingen doorgevoerd waardoor de belastingdruk voor private equity-managers in box 2 gelijk komt te liggen met het belastingtarief in box 3, op 36%.
Tip: Participatieregelingen komen steeds meer in trek bij bedrijven die werknemers willen binden en belonen. Er zijn verschillende manieren om medewerkers aan je bedrijf te binden en ze bij successen te betrekken.
7. Box 3 leidt tot hogere heffing
Het kabinet streeft ernaar dat vanaf 2028 in box 3 belasting wordt geheven over het werkelijk rendement. In de stukken over de belastingplannen voor 2026 wordt dit bevestigd.
Tot die tijd blijft het huidige forfaitaire stelsel van kracht. Voor 2026 zijn een aantal wijzigingen voorgesteld.
Heffingsvrij vermogen
De eerste ziet op het heffingsvrij vermogen. Het kabinet stelt voor om per 1 januari 2026 het heffingsvrij vermogen (belastingvrij vermogen) te verlagen van € 57.684 naar € 51.396. Je betaalt dus eerder belasting in box 3. Heb je een fiscale partner? Dan verdubbelt het heffingsvrij vermogen.
2026
Heffingsvrij vermogen zonder fiscale partner: € 51.396
Heffingsvrij vermogen met fiscale partner: € 102.792
2025
Heffingsvrij vermogen zonder fiscale partner: € 57.684
Heffingsvrij vermogen met fiscale partner: € 115.368
Forfaitair rendement
De heffingsgrondslag van het vermogen van box 3 gaat uit van de werkelijke verdeling van jouw vermogens over drie vermogensgroepen:
- Banktegoeden
- Overige bezittingen (onder meer beleggingen en onroerend goed)
- Schulden
Per categorie geldt een eigen forfaitair rendement. Het rendementspercentage voor de categorie overige bezittingen wordt met 2 procentpunt verhoogd van 5,88% tot 7,88%.
Tarief
Het tarief over het box 3-inkomen blijft 36%.
Tegenbewijsregeling
Tot 2028 is er de mogelijkheid om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling als het werkelijke rendement lager is.
Gerelateerde kennis
Benieuwd wat wij voor jouw organisatie kunnen betekenen?
Laten we snel kennismaken!